12:00 - 12:30
Liesbeth van der Plas
(mede-oprichter en bestuurslid Stichting Goed Rekenonderwijs)
De fnuikende invloed van de rekenmachine op ons reken- en wiskundeonderwijs
Bij de meeste basisschooldocenten en schoolboekenschrijvers heerst de (onuitgesproken) opvatting dat kinderen niet meer sommetjes zoals 345,6 × 77 op een blaadje behoeven te kunnen uitrekenen. Daar bestaat immers een rekenmachientje voor. Zij leren alleen sommetjes zoals 50 × 28, omdat ze een dergelijk mooi gekozen sommetje kunnen herschrijven als 100 × 14.
Het resultaat is, dat kinderen aan het eind van de basisschool de 8 basis-standaard-berekeningen niet beheersen. De meeste kinderen weten zelfs niet dat er eeuwenoude rekenregels bestaan waarmee je in principe elke willekeurige vermenigvuldiging kunt uitrekenen. Kortom, zij begrijpen zelfs niet hoe het komt dat een rekenmachientje altijd alle sommen kan uitrekenen. Het rekenmachientje is voor hen dus (onbewust) een toverdoosje.
Op de middelbare school wordt veel te weinig met algebra geoefend. Dat is ook logisch omdat je kinderen alleen met letters kunt leren rekenen als ze eerst het rekenen met cijfers door en door onder de knie hebben gekregen. Dit laatste is, zoals gezegd, niet het geval. De wiskundedocent heeft daarom bij voorbaat een zeer groot probleem. Leerlingen hoeven dan ook stellingen, zoals de abc-formule, niet meer zelf te kunnen bewijzen.
Dankzij het inzetten van de grafische rekenmachine in het vervolgonderwijs, lijkt het alsof leerlingen toch nog redelijk geavanceerde wiskunde leren. Als je de wiskundeboeken echter goed bekijkt, kom je echter tot een andere conclusie. In werkelijkheid begrijpen kinderen meestal niet wat ze aan het doen zijn, maar leren ze (vaak van elkaar) wat ze moeten intypen bij een bepaald soort opgave om het gevraagde antwoord op het schermpje te toveren.
Het belang van echt reken- en wiskundeonderwijs wordt door het primair- en vervolgonderwijs enorm onderschat. In bijna alle beroepsgroepen worden de gevolgen steeds duidelijker zichtbaar.
|